
Wet studiefinanciering 2000
Artikel 3.7 Vorm toekenning reisvoorziening
1
De reisvoorziening kan bestaan uit:
a
een kaart voor het reizen waarvoor de studerende aan het openbaar vervoerbedrijf geen bedrag of een bedrag met korting verschuldigd is, een kaart voor het reizen waarvoor de studerende aan een particulier vervoerbedrijf geen bedrag of een laag tarief verschuldigd is, of een kaart waarin 2 of meer van deze elementen zijn gecombineerd,
b
een voorziening in geld, of
c
een combinatie van de onderdelen a en b.
2
Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke van de in het eerste lid gegeven mogelijkheden van toepassing is.
3
Wanneer een reisvoorziening geheel of gedeeltelijk uit geld bestaat, wordt de hoogte van de bedragen die voor verschillende groepen van studerenden verschillend kunnen zijn, bepaald bij algemene maatregel van bestuur. De vorige volzin is niet van toepassing op het bedrag, bedoeld in artikel 3.25.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
-
LJN BC8280, Hoger beroep, 0700142
Rechtsoort
Civiel overig
Datum uitspraak
25-03-2008
Status
gepubliceerd
Soort procedure
Hoger beroep
Instantie
gepubliceerd
Rechtsoort
Gerechtshof ArnhemHet Prepensioenfonds heeft betoogd dat ingevolge de verplichtstelling het fonds de bevoegdheid heeft gekregen om iedere premievordering, ongeacht het ontstaanstijdstip van die vordering, bij wege van dwangbevel in te vorderen, omdat de verplichtstelling moet worden aangemerkt als een daad van materiële wetgeving die directe werking heeft... -
LJN BG5735, Hoger beroep, AWB 08/1
Rechtsoort
Bestuursrecht overig
Datum uitspraak
25-11-2008
Status
gepubliceerd
Soort procedure
Hoger beroep
Instantie
gepubliceerd
Rechtsoort
College van Beroep voor het bedrijfslevenWet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000